|
Aurelius Augustinus
Als
korrels
tussen kaf
preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie
[Sermones de scripturis 941-116+367]
Vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien
door Joke Gehlen -
Springorum, Vincent Hunink,
Hans van Reisen en Annemarie Six - Wienen,
Ambo, Amsterdam 2002; 2e druk: Damon, Budel 2007

ISBN 9789055738168; 328 p.; € 24,95
Bijna
veertig jaar lang heeft Augustinus (354-430) in het Noord-Afrikaanse Hippo
Regius de geloofsgemeenschap als predikant gediend. Van heinde en verre kwamen
mensen naar deze havenstad om zelf de woorden van de befaamde bisschop te
beluisteren of zijn preken in opdracht van anderen op te tekenen. Zo zijn
ongeveer zeshonderd preken van Augustinus bewaard gebleven.
Voor
deze bundel werden 29 preken uitgekozen van de sermones
de scripturis. In deze groep preken staat de behandeling van een bijbeltekst
centraal: in 4 ervan komen teksten uit het Marcusevangelie aan de orde en
passages uit het Lucasevangelie in de andere 25. Bij elkaar vormen ze een
volledige reeks met alle bewaard gebleven preken van Augustinus over Marcus- en
Lucaspericopen. De meeste Latijnse teksten waren al eeuwenlang bekend maar van
twee preken werden de grondteksten pas enkele jaren geleden teruggevonden. Van
23 preken verschijnt in dit boek de eerste Nederlandse vertaling.
Augustinus
valt in deze preken te leren kennen als een zorgvuldige uitlegger van de bijbel,
een toegewijde pastor en een diepzinnig theoloog. Als geen ander beijverde hij
zich om de rijkdom van bijbelse passages voor allerlei mensen toegankelijk te
maken: zijn preken sprankelen dan ook van levend geloof, diepe wijsheid en
pastorale zorg. Met deze preken beoogde de bisschop dat zijn luisteraars en
lezers zouden leven als korrels tussen kaf.

De eerste druk uit 2002 (uitverkocht)
De vertalers
Drs. Joke Gehlen-Springorum (1940) studeerde klassieke taal- en letterkunde aan
de toenmalige Katholieke Universiteit Nijmegen. Gedurende vijfentwintig jaar was
zij als docente verbonden aan het katholiek gymnasium Rolduc te Kerkrade.
Dr.
Vincent Hunink (1962) is als docent en onderzoeker Latijn verbonden aan de
Radbouduniversiteit Nijmegen. Hij publiceerde Nederlandse vertalingen van onder
meer Caesar, Apuleius, Tacitus en de kerkvaders Athanasius en Benedictus.
Drs.
Hans van Reisen (1957) studeerde theologie in Utrecht en was tussen 1985 en 1989
als wetenschappelijk assistent verbonden aan de toenmalige Katholieke
Theologische Universiteit te Utrecht. Sinds de oprichting van het Augustijns
Instituut is hij daar werkzaam als studiesecretaris.
Drs.
Annemarie Six-Wienen (1968) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde aan de
Universiteit Utrecht. Jarenlang was zij docente in het middelbaar
onderwijs. Voorts was zij werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken. Sinds 2010 studeert zij theologie aan
de Vrije Universiteit (Amsterdam)

Hans, Joke, Annemarie en Vincent, maart 2007,

Het vertaalteam: Annemarie, Vincent, Joke,
Hans - foto Ingrid van Neer,
22-6-2002
Tekstfragment
De
laatste preek uit de bundel is tevens de kortste.
Besproken
Schrift-passage: Lucas 16,19-31
SERMO 367
STUUR VAST IETS VOORUIT
[i] Gezegende en geliefde
broeders en zusters, u hebt goed opgelet. Volgens mij hebt u net als ik heel
goed de overvloed van de rijke man en de armoede van de bedelaar voor ogen
gekregen: de een kwam om in het voedsel, de ander kwijnde weg van de honger.
Allebei mens, allebei van vlees, allebei sterfelijk, maar niet allebei gelijk.
Dezelfde natuur, maar niet hetzelfde leven. Allebei niet bestand tegen de dood.
Toch zat de een feestelijk te dineren en lag de ander in zijn vodden te
creperen. De een genoot van de verfijnde van zijn koks, de ander wachtte op de
kruimels die van tafel vielen.
Laat nu de rijken luisteren die
geen barmhartigheid kennen! Laat ze horen dat wij allemaal geboren worden onder
dezelfde wet, dat wij leven in hetzelfde licht, dat wij dezelfde lucht inademen
en dat wij ook eenzelfde dood sterven! Ook als de dood niet tussenbeide kwam zou
de arme bezwijken.
Hier ligt Lazarus, naakt en
onder de zweren: op de handen van engelen wordt hij naar Abrahams schoot
gedragen.' En daar heb je de rijke, weldoorvoed en prachtig uitgedost: hij wordt
opgesloten in de kerker van de onderwereld. Waar is nu dat kleed van het fijnste
linnen? Waar dat leven in overvloed, die overdaad aan rijkdom? Gaat door de dood
niet alles als een schaduw voorbij?
'Wij hebben in deze wereld
niets meegebracht,' zegt de apostel Paulus, 'en kunnen er ook niets uit
meenemen." Er valt niets mee te pakken of te graaien. Stel dat we iets
konden meenemen, zouden wij mensen elkaar dan niet levend verslinden? Wat is dat
toch voor hebzucht, voor begerigheid? Zelfs wilde beesten weten maat te houden:
ze roven alleen als ze honger hebben, maar sparen de buit als ze verzadigd zijn.
Alleen de hebzucht van de rijken is onverzadigbaar. Altijd zijn ze op rooftocht,
nooit hebben ze genoeg. Aan God noch mens laten zij zich iets gelegen liggen.
Zij sparen hun vader niet en kennen hun moeder niet, hun broers zijn ze
ongehoorzaam en hun vrienden ontrouw. De weduwen onderdrukken ze, het bezit van
de wezen nemen ze in beslag. Vrijgelatenen maken ze weer slaaf, testamenten
vervalsen ze. De spullen van de doden pikken ze in, alsof wie
dat doet zelf nooit sterft! Wat is dat toch voor dwaasheid van de ziel? Het
leven verliezen en de dood zoeken, goud najagen en de hemel kwijtraken! Er is
geen mens die aan God denkt; daarom staat hun bij de dood het oordeel te
wachten.
[2] Terecht werd tegen de rijke
gezegd: 'Jij hebt het heel je leven goed gehad en Lazarus altijd slecht. Nu
wordt hij hier getroost en lijd jij pijn.` Laat de rijken die geen
barmhartigheid kennen dit horen! Laat ze horen dat iedereen die weigert hulp te
bieden straf krijgt. Laat ze horen dat de arme verkoeling vindt, laat ze horen
dat de rijke zwaar gestraft wordt en moet branden. 'Vader Abraham,' zegt hij,
'stuur Lazarus om de toppen van zijn vingers nat te maken met water en er mijn
tong mee te verkoelen, want ik lijd hevig in dit vuur.' Maar Abraham zei:
'Vergeet niet, mijn zoon, datje het heel je leven goed hebt gehad en Lazarus
altijd slecht.'
Rijkdom en straf worden tegen
elkaar afgewogen, net als armoede en verkoeling, purper en vuur, naaktheid en
verkwikking. Zo is de balans in evenwicht en wordt er niet geknoeid met de maat.
'Met de maat waarmee u meet,' zegt de Heer, 'zult u gemeten worden.` De rijke
wordt onbarmhartig gestraft omdat hij zelf ook geen barmhartigheid kende tijdens
zijn leven. Het verzoek van de rijke in het vuur wordt niet ingewilligd omdat
hij het verzoek van de arme op aarde niet inwilligde.
[3] Rijk en arm zijn elkaars
tegenpolen, maar toch, ze hebben elkaar ook nodig. Ze zouden niets tekortkomen
als ze elkaar ondersteunden. Ze zouden geen problemen hebben als ze elkaar
hielpen. De rijke is gemaakt voor de arme en de arme voor de rijke. Het is aan
de arme om te vragen, aan de rijke om te geven. Het is aan God om het kleine en
het grote in balans te brengen. Met een beetje barmhartigheid van de rijke
ontstaat er grote overvloed. De akker van de arme is vruchtbaar en draagt snel
vrucht voor zijn heer. De arme is de weg naar de hemel waarlangs we bij de Vader
komen. Begin dus met weg te geven als u de weg niet kwijt wilt raken.
Maak nog tijdens uw leven de
boelen los waarmee u aan uw erfdeel zit vastgeklonken. Dan kunt u als vrij mens
op weg gaan naar de hemel. Werp de last van de rijkdom van u af, werp uw
zelfgekozen boelen af, werp alle angst en zorgen van u af waardoor u al zoveel
jaren wordt gekweld. Geef aan wie vraagt, om zelf te kunnen ontvangen. Schenk
aan de armen als u niet wilt branden in het vuur.
Geef
op aarde aan Chnistus: dat geeft Hij u dan in de hemel terug. Vergeet wat u bent
en bedenk wat u zult zijn. Uw huidige leven is broos en loopt uit op de dood.
Niemand kan hier blijven, we moeten allemaal naar de overkant. We gaan met
tegenzin. We willen helemaal niet weg, want we zijn slecht. Maar als we iets
vooruit sturen, komen we niet in een leeg huis. En wat sturen we dan vooruit?
Wat we de armen geven! Wat we hier bijeengraaien raken we helemaal kwijt.
latest
changes here:
23-12-2011 15:50
|