XENOPHON HIËRO vertaald en toegelicht door Vincent Hunink tekst gepubliceerd in: Nexus, 36, 2003, 73-89 (1) De dichter
Simonides kwam een keer bij de dictator Hiëro. Zodra ze allebei tijd hadden
zei Simonides: ‘Beste Hiëro, mag ik u eens wat vragen? Er is iets waar u
vermoedelijk meer van weet dan ik.’ ‘En wat mag dat wel zijn?’ vroeg Hiëro. ‘Waar weet ik meer van dan
zo’n wijs man als jij?’ ‘Ik weet dat u eerst een gewoon burger bent geweest,’ zei de ander,
‘en dat u nu dictator bent. U heeft ervaring met beide en vermoedelijk weet
u dus beter dan ik waarin het leven van een dictator verschilt van dat van een
gewoon burger. Ik doel hier zowel op de vreugden als de zorgen van de mens.’ ‘Maar dan moet jij ook iets doen,’ zei Hiëro. ‘Jij bent nog steeds
een gewoon burger. Vertel mij maar eens over dat burgerleven, dan kan ik jou
wel aangeven, denk ik, waar de verschillen in liggen.’ ‘Daarop zei Simonides het volgende. ‘Ik meen dat ik heb kunnen
constateren, beste Hiëro, dat gewone burgers via de ogen prettige en
onaangename ervaringen opdoen met wat er allemaal te zien is, en via de oren
met geluiden, via de neus met geuren, via de mond met eten en drinken, en met
seks via de algemeen bekende weg. Koud en warm, hard en zacht, licht en zwaar
lijken wij in heel ons lichaam waar te nemen, met prettige en onprettige
ervaringen als gevolg. En wat goed en kwaad betreft, soms lijken wij hiermee
enkel in de ziel prettige en onprettige ervaringen te hebben, soms ook in
zowel ziel als lichaam. Dat wij ook prettige ervaringen hebben tijdens de
slaap lijkt mij duidelijk, maar hoe dat kan en langs welke weg en wanneer, dat
begrijp ik eigenlijk helemaal niet. Het is misschien niet vreemd als wij
duidelijkere ervaringen hebben wanneer we wakker zijn dan tijdens de slaap.’ ‘Ik zou niet weten wat een dictator nog meer kan ervaren,’ gaf Hiëro
ten antwoord, ‘naast alles wat jij nu hebt opgesomd. Tot hier toe zie ik
niet waarin het leven van een dictator verschilt van het burgerleven.’ ‘Dat verschil zit hierin: een dictator heeft op al die manieren een veel
groter aantal plezierige ervaringen en veel minder onplezierige.’ ‘Nee, Simonides, zo zit het niet. Je moet weten dat dictators veel minder
plezier beleven dan gewone, modale burgers en veel meer en sterkere
onplezierige ervaringen hebben.’ ‘Wat u zegt klinkt niet aannemelijk. Want als dat zo is, waarom leeft de
wens om dictator te worden dan bij zovelen, ja bij de mensen die het meest
vermogend lijken? Hoe kan het dat iedereen dictators benijdt?’ ‘Dat komt natuurlijk omdat men geen ervaring heeft met beide posities,’
zei Hiëro, ‘maar wel hierover zijn gedachten laat gaan. Ik zal proberen jou
aan te tonen dat ik de waarheid spreek, te beginnen met het zien. Want daar
begon jij mee, als ik het wel heb. ‘Allereerst dus waarnemingen door het zicht. Wanneer ik alles overdenk,
zijn dictators op dit punt slechter af. Elke streek heeft zo zijn eigen
bezienswaardigheden en gewone burgers kunnen overal naartoe: ze gaan naar de
steden die ze willen en naar nationale manifestaties,[i]
waar alles bij elkaar komt wat mensen het meest de moeite waard vinden om te
zien. Maar dictators houden zich verre van shows. Het is voor hen namelijk
niet veilig een plek te bezoeken waar ze niet automatisch sterker zijn dan de
aanwezigen, en daarbij is hun situatie thuis niet dermate zeker dat ze alles
aan anderen kunnen overlaten en op reis kunnen gaan. Want het valt te vrezen
dat ze hun macht kwijtraken en bovendien niet meer in staat zijn de
boosdoeners te straffen. ‘Nu zul jij zeggen: "Maar dat soort spektakel komt toch naar hen toe?
Ze blijven gewoon thuis!" Nou, Simonides, dat geldt maar in een doodenkel
geval, en dan nog moet een dictator er enorm veel voor betalen. Wie ook maar
een klein kunstje kent, verwacht van de dictator in kort bestek een veelvoud
te ontvangen van wat hij in zijn hele leven van alle mensen samen krijgt!’ ‘Goed, misschien bent u slechter af als het gaat om mooie dingen zien,’
zei Simonides, ‘maar wat het gehoor betreft bent u toch echt beter af. Want
in wat het fijnste is om te horen, lofprijzingen, komen jullie nooit tekort.
Iedereen om u heen zal alles van u prijzen, wat u ook zegt of doet. En wat het
naarste is om te horen, scheldwoorden, daarvan blijven uw oren vrij. Niemand
spreekt kwaad van een dictator in diens bijzijn.’ ‘En wat voor plezier geeft zo’n gebrek aan kwaadsprekers,’ zei Hiëro,
‘wanneer je maar al te goed weet dat zulke zwijgers allerlei kwaads van de
dictator denken? Wat voor plezier heb je van mensen die je prijzen, wanneer je
mag aannemen dat hun lof enkel voortkomt uit vleierij?’ ‘Hier geef ik u volkomen gelijk, beste Hiëro. Lofprijzingen van geheel
vrijen zijn het prettigst. Maar kijk, u zult geen mens ervan kunnen
overtuigen, dat jullie niet veel meer plezier beleven aan alles waar een mens
van leeft.’ ‘Ja, Simonides, ik weet wel waarom dat de meesten ervan uitgaan dat wij
lekkerder eten en drinken dan gewone burgers. Zij denken namelijk dat zij zelf
lekkerder zouden eten aan onze tafel dan thuis. Het genot schuilt dan in alles
wat boven het normale uitgaat. Daarom kijken alle mensen uit naar feesten
behalve dictators. Hun dis is altijd al rijkelijk voorzien en daar komt op
feesten niets extra’s bij. Zo komt het dat zij alleen al op dit punt
slechter af zijn dan gewone burgers: voor hen geen voorpret! Verder is er nog
iets wat ik goed besef en wat ook jij uit ervaring wel weet: hoe meer men
iemand aan overtolligs voorzet, des te eerder treedt het gevoel van
verzadiging op. Het gaat hier dus ook om de tijdsduur van het genot. Ook
daarin is degene die veel krijgt voorgezet slechter af dan de modale
genieter.’ ‘Jawel, natuurlijk, maar zolang die eetlust aanhoudt beleven mensen die
exclusief dineren meer genot dan mensen die simpelere dingen krijgen
voorgezet.’ ‘Maar Simonides, denk je niet dat iemand die ergens het hoogste genoegen
beleeft daar ook het meest aan gehecht is?’ ‘Zeker wel.’ ‘Gaan dictators dan met zichtbaar meer genoegen aan tafel dan gewone
burgers?’ ‘Nee, nee, helemaal niet, juist met meer tegenzin, zouden de meeste mensen
zeggen.’ ‘En heb je wel eens bedacht wat voor smaakversterkers er allemaal bij
dictators op tafel komen: pikant, zuur, prikkelend, enzovoorts?’ ‘Ja zeker,’ zei Simonides, ‘en dat lijkt mij allemaal heel
onnatuurlijk voor mensen.’ ‘Wat vind je dan van dat soort ingrediënten? Dat zijn toch niet meer dan
opwekkers van een zwakke, door luxe verslapte eetlust? Want jij weet net zo
goed als ik dat wie met genoegen eet niets van al die toevoegingen nodig
heeft.’ ‘Tja, ook die kostbare parfums die jullie gebruiken, daar hebben de mensen
om jullie heen, geloof ik, meer dan jullie zelf.’ ‘Zoiets gebeurt ook met eten,’ zei Hiëro. ‘Wie altijd alles klaar
heeft staan, tast nooit eens toe met trek. Maar als je iets niet vaak krijgt,
doe je je er met veel plezier aan te goed wanneer het op je bordje komt.’ ‘Misschien is het dan zo dat alleen erotische genoegens het verlangen in
jullie oproepen om dictator te worden. Want op dit vlak staat het jullie vrij
om contacten te hebben met de allermooisten.’ ‘Daar noem je iets!’ zei Hiëro. ‘Besef goed, juist op dit punt zijn
wij slechter af dan gewone burgers! Laat ik beginnen met het huwelijk. Een
verbinding met een rijkere, machtigere familie wordt beschouwd als het beste
en de bruidegom ontleent er status en genot aan. Het op een na beste is een
huwelijk tussen mensen van gelijke stand, terwijl een verbinding met
lagerstaanden geldt als onterend en nutteloos. Maar wat kan een dictator doen,
voor zover hij geen buitenlandse vrouw trouwt? Zijn huwelijk is onvermijdelijk
met iemand van lagere stand, en hij krijgt dus absoluut niet wat hij zo graag
wil. Vertroeteld worden door vrouwen die zich het meest laten voorstaan op hun
afkomst geeft hem het allergrootste plezier, maar zo is het niet met
slavinnen. Als die hetzelfde doen, is het niet speciaal aangenaam, en laten ze
ergens een steekje vallen, dan wekt dat verschrikkelijke woede en ergernis op. ‘En dan de liefde voor leuke jongens! Hier is de dictator als het over
genot gaat nog veel slechter af dan bij de liefde die tot nageslacht leidt.
Seks waarin passie domineert geeft beduidend meer genot, dat weet natuurlijk
iedereen. Maar passie, daarvan voelt een dictator doorgaans maar heel weinig.
Passie gaat bij voorkeur niet uit naar wat normaal beschikbaar is, maar juist
naar objecten van hoop en verwachting. Zoals iemand die niet weet wat dorst is
geen werkelijk genoegen kan beleven aan drinken, zo kan de man die geen weet
heeft van passie ook geen weet hebben van de heerlijkste seks.’ ‘Dat was wat Hiëro zei, en Simonides schoot in de lach. ‘Wat bedoelt u,
beste Hiëro?’ vroeg hij. ‘Een dictator vat geen passie op voor mooie
jongens? Hoe zit het dan met uw liefde voor Daïlochus, die "de
knapste" heet?’ ‘Tja, Simonides,’ zei de ander, ‘waar ik vooral naar verlang, is niet
zomaar bij hem te halen maar krijgt een dictator het moeilijkst voor elkaar.
Wat ik graag van Daïlochus wil, is wat een mens misschien van nature aan
mooie jongens vraagt. Maar het hier bedoelde wil ik graag uit genegenheid
krijgen en uit vrije wil, daar verlang ik sterk naar. Het met geweld van hem
nemen? Dat zou ik, geloof ik, nog minder willen dan mijzelf kwaad doen. Van
vijanden iets tegen hun zin nemen, dat vind ik beslist iets allerheerlijks,
maar de charmes van een mooie jongen zijn alleen zo heerlijk als ze vrijwillig
worden geschonken. De genegenheid moet wederzijds zijn! Dan is het meteen
heerlijk hoe hij je blik beantwoordt, dan zijn zijn vragen en reacties
heerlijk, dan is het heerlijk en verrukkelijk hoe hij tegenstribbelt en je
uitdaagt! ‘Aan je gerief komen met mooie jongens die niet willen lijkt mij meer een
vorm van roof dan van liefde. En een rover beleeft nog een zeker plezier aan
zijn winst en het kwellen van zijn vijand. Maar genoegen beleven aan een
kwelling van wie jij begeert? Je liefde beantwoord te zien met haat? Seksueel
contact met iemand die dat vreselijk vindt? Dat is toch een hoogst onaangename
ervaring, dat is toch zielig? ‘Voor een gewoon burger is het meteen een duidelijk signaal wanneer zijn
jongen hem ter wille is: dat is een dienst uit genegenheid. Hij weet dat de
jongen op geen enkele manier verplicht is tot die dienst. Maar een dictator?
Die kan er nooit zeker van zijn of men van hem houdt. We weten toch allemaal
dat mensen die dienen uit angst zoveel mogelijk de indruk wekken dat zij uit
genegenheid hun dienst verlenen? Vandaar ook dat aanslagen op dictators vooral
worden gepleegd door mensen die doen alsof zij het meest op hen gesteld
zijn.’ (2) Daarop
reageerde Simonides als volgt. ‘Toch lijkt het mij allemaal betrekkelijk
onbelangrijk wat u daar opnoemt. Want ik constateer dat veel flinke kerels
vrijwillig slechter af zijn als het gaat om eten en drinken en mooie dingen,
en zich vrijwillig onthouden van seks. Nee, jullie verschillen van gewone
burgers in andere dingen. Dictators denken groot, krijgen snel wat ze willen
en leven in grote luxe. Ze bezitten eersteklas paarden, de fraaiste wapens, de
schitterendste juwelen voor hun vrouwen. Ze bewonen de prachtigste paleizen,
voorzien van het kostbaarste interieur, en hebben het meest uitgebreide en
deskundige personeel. En zo zijn ze het beste toegerust om hun vijanden te
schaden en hun vrienden te belonen.’ ‘Maar Simonides!’ zei Hiëro weer. ‘Dat de grote massa zich illusies
maakt over de positie van een dictator, verbaast mij niets. Het volk kijkt
alleen naar de buitenkant en beoordeelt dan of mensen gelukkig dan wel
ongelukkig zijn. Een dictatuur spreidt altijd schijnbaar kostbare bezittingen
voor ieders blikken ten toon, terwijl de bezwaarlijke aspecten verborgen
blijven in het hart van de dictator. En daar is dat geluk of ongeluk voor
mensen toch in gelegen. Goed, dat de grote massa dit allemaal niet ziet
verbaast me niet, ik zei het al. Maar dat ook mensen als jij het niet
begrijpen! Jullie bezien de meeste dingen toch meer met het verstand dan met
de ogen? Het is werkelijk verbazend! ‘Ik weet uit ervaring maar al te goed, Simonides, en ik zeg jou nu dat
dictators het minste deelhebben aan de mooie dingen in het leven en de meeste
narigheden beleven. Want neem bijvoorbeeld vrede: dat lijkt voor de mensen een
groot goed, maar dictators delen er maar amper in. En oorlog is natuurlijk een
groot kwaad, waarvan het grootste deel voor de dictator is. Want om te
beginnen, als de stad niet in een totale oorlog is verwikkeld, kunnen gewone
burgers gaan en staan waar ze willen, zonder enige angst voor moordenaars,
terwijl een dictator zich altijd en overal op vijandelijk terrein begeeft. Hij
acht het noodzakelijk om zelf continu gewapend te zijn en altijd lijfwachten
om zich heen te hebben. ‘En -- tweede punt -- áls gewone burgers op campagne naar vijandelijk
gebied moeten, geloven ze toch dat ze minstens na thuiskomst weer veilig zijn.
Maar komt een dictator terug in zijn eigen stad, dan weet hij zeker: daar is
hij tussen de meeste vijanden. En als er al eens sterkere vreemden optrekken
tegen de stad, achten zwakke burgers zich buiten de muren wel in gevaar, maar
eenmaal terug binnen de versterking voelt iedereen zich veilig. Maar de
dictator is zelfs als hij voet in eigen paleis zet niet buiten gevaar, nee,
denkt hij, uitgerekend daar moet hij oppassen! ‘Voorts houdt een oorlog voor gewone burgers ook weer op door een verdrag
of door vrede, terwijl de dictator nooit vrede kent tegenover zijn onderdanen.
Op een verdrag mag hij niet vertrouwen, zodat hij nooit gerust kan zijn. ‘Er zijn natuurlijk oorlogen van steden onderling en van dictators tegen
de onderdrukten. De last die een stedeling van die oorlogen heeft treft een
dictator ook. Beiden moeten in wapenrusting wacht houden en gevaar lopen, en
als ze verliezen en iets ellendigs ondergaan, stemt het beiden bedroefd. ‘Tot hiertoe zijn oorlogen voor iedereen gelijk. Maar dictators hebben
niet wat stedelingen ervaren als de aangename kanten van oorlog. Wanneer
steden hun tegenstanders in de strijd overmeesteren, dan is de vreugde amper
te beschrijven. Het is de vreugde van het verjagen van de vijand, van het
achtervolgen en doden van de vijand. Wat een gevoel van triomf tijdens die
acties! Wat een stralende roem valt hun ten deel! Wat een zalige gedachte dat
men de macht van de stad heeft vergroot! Iedereen doet het voorkomen dat hij
"heeft meegedaan aan het plan" en "de meeste vijanden heeft
gedood", en vrijwel altijd wordt er domweg gelogen en claimt men een
groter aantal doden dan er in werkelijkheid is gevallen. Zoiets geweldigs
vinden de mensen een grote zege. ‘Maar dan de dictator! Wanneer hij verdenkingen koestert en ook werkelijk
tegenwerking bespeurt, laat hij een paar mensen doden. Maar hij weet dat hij
daarmee niet de macht van de stad als geheel vergroot. Hij begrijpt dat hij
vanaf dat moment over minder mensen de baas is, en hij kan er niet warm van
worden of trots zijn op zijn prestatie. Nee, hij zal de gebeurtenissen waar
mogelijk zelfs bagatelliseren en al tijdens zijn optreden het excuus aanvoeren
dat hij "niets onrechtmatigs heeft gedaan". Zo weinig waardering
heeft hij ook zelf voor zijn daden. En als mensen sterven voor wie hij bang
was, vat hij evenmin moed maar past hij nog beter op dan tevoren. De dictator
leeft dus continu in oorlog, dat moge duidelijk zijn. (3)
Vriendschap dan. Bekijk eens op welke manier dictators daar deel aan hebben.
Laten we eerst eens overwegen of vriendschap voor de mens een groot goed is.
Welnu, als mensen van je houden, zien ze je graag in hun buurt en doen ze je
graag goed; ze missen je als je weggaat en ontvangen je dolgraag bij je
terugkeer; ze delen in je vreugde wanneer het je goed gaat en bieden
gezamenlijk steun als ze zien dat je een uitglijder dreigt te maken. Ook
steden ontgaat het niet dat vriendschap voor mensen een zeer groot goed en
iets heerlijks is. In veel steden geldt althans een wet die een uitzondering
maakt voor echtbrekers: die mag men straffeloos doodslaan. De reden daarvan is
natuurlijk dat men vindt dat zij de vriendschap van vrouwen voor hun mannen
kapotmaken. Want stel dat een vrouw seks heeft door ongelukkige
omstandigheden, dan blijft zij bij haar man desondanks in ere, als haar
vriendschap tenminste onverminderd lijkt. ‘Een groot goed is het dus naar mijn mening wanneer men van je houdt. Ja,
als men van je houdt, komt alle goeds van goden en mensen spontaan op je weg. ‘Maar als dit bezit van dien aard is, heeft een dictator het hier het
slechtst van iedereen. Wil je weten of ik de waarheid spreek, Simonides,
bekijk het dan eens als volgt. De sterkste vriendschappen zijn, dunkt me, die
van ouders voor hun kinderen, van kinderen voor hun ouders, van broers en
zussen voor broers en zussen, van vrouwen voor hun mannen en van vrienden voor
vrienden. En als je nu even goed kijkt, zie je dat deze mensen vooral houden
van gewone burgers, anders dan dictators. Velen van hen hebben hun kinderen
vermoord of worden door hun kinderen vermoord. Veel broers die samen dictator
zijn sneuvelen door onderlinge strijd, en vaak wordt een dictator zelfs om het
leven gebracht door zijn eigen vrouw of door kameraden die hij voor zijn beste
vrienden hield. Maar mensen die van nature het meest van je houden en dat uit
gewoonte ook zouden moeten, als die je al zo haten, wat dan te denken van
anderen? Hoe zouden die van je kunnen houden? (4) Een
volgend punt is vertrouwen, een groot goed. Als je daar maar weinig van hebt,
mis je toch veel? Is een relatie prettig zonder wederzijds vertrouwen? Geven
contacten tussen man en vrouw genot als het vertrouwen ontbreekt? Kan een
dienaar aangenaam zijn als hij niet te vertrouwen is? Dus ook in
vertrouwensrelaties met anderen deelt een dictator het minst. Ja, zelfs zijn
eten en drinken zal hij voortdurend wantrouwen, en voor het plengoffer aan de
goden moeten dienaren alles voorproeven. Hij vertrouwt het namelijk niet: hij
zou eens iets verkeerds binnen kunnen krijgen! ‘En nog iets. Voor alle andere mensen is het vaderland het meeste waard.
Burgers beschermen elkaar tegen slaven, zonder dat ze daar geld voor krijgen,
ze beschermen elkaar tegen boosdoeners om te zorgen dat geen burger een
gewelddadige dood sterft. Ze gaan zo ver in hun voorzorg dat velen bij wet
hebben vastgelegd dat iedereen die contact heeft met een man die een
bloedschuld op zich heeft geladen, als onrein geldt. En zo leeft elke burger
binnen het kader van zijn land in veiligheid. ‘Maar voor een dictator ligt de zaak ook hier precies omgekeerd. Want in
plaats van dat de stad hem wreekt, houdt ze de man die hem doodt hogelijk in
ere. In plaats van dat zo iemand uit heiligdommen wordt geweerd, zoals
moordenaars van gewone burgers, laten steden in heiligdommen zelfs
standbeelden oprichten van mannen die dat soort dingen hebben gedaan. ‘Als jij denkt dat een dictator met meer bezittingen dan gewone burgers
daar ook meer plezier van heeft, nu, Simonides, ook dát is niet zo. Maar de
dictator vergaat het als sportlui, die niet blij zijn wanneer ze winnen van
gewone mensen, maar zich ergeren wanneer ze verliezen van hun concurrenten.
Hij is niet blij wanneer hij meer blijkt te bezitten dan gewone burgers, maar
bedroefd wanneer hij minder heeft dan andere dictators. Want die ziet hij als
zijn concurrenten in rijkdom. ‘En een dictator krijgt ook niet sneller wat hij wil dan een gewoon
burger. De burger verlangt naar een huis, een stukje land, een dienaar, maar
de dictator wil hele steden, uitgestrekte gebieden, havens of sterke burchten,
en dat is veel moeilijker te krijgen dan wat burgers verlangen en levert meer
gevaar op. Ja, je zult niet zoveel armoe zien onder burgers als onder
dictators! Want "veel" en "weinig" wordt niet bepaald door
absolute getallen maar door behoeften. Meer dan voldoende is dus veel en
onvoldoende weinig. ‘Zo kan een dictator met een veelvoud aan middelen (vergeleken met de
gewone burger) toch onvoldoende hebben om zijn uitgaven te bekostigen. Gewone
burgers kunnen naar believen bezuinigen op hun dagelijkse uitgaven, maar
dictators staat dit niet vrij. Hun grootste en meest noodzakelijke uitgaven
hebben namelijk betrekking op hun persoonlijke bewaking. En daarop bezuinigen
is levensgevaarlijk. ‘Wie op een rechtmatige manier alles kan hebben wat hij nodig heeft, is
niet arm. Hoe zou men medelijden met hem kunnen hebben? Maar wie zich uit
gebrek genoodzaakt ziet slechte en onterende dingen uit te halen om te
overleven, die zou je toch met recht ongelukkig en arm mogen noemen? Welnu,
een dictator ziet zich vaak gedwongen tot illegale beroving van heiligdommen
en individuen doordat hij voor zijn noodzakelijke uitgaven steeds weer geld
tekort komt. Voor hem is het zogezegd chronisch oorlog: hij is gedwongen een
leger op de been te houden, anders gaat hij eraan. (5) Ik zal je
nog iets vertellen, Simonides, een andere vervelende ervaring van dictators.
Zij hebben niet minder oog dan gewone burgers voor mensen die dapper,
verstandig of rechtvaardig zijn. Maar in plaats van bewondering voelen zij
vrees voor hen. Voor de dapperen omdat die misschien iets ondernemen terwille
van de vrijheid, voor de verstandigen omdat die misschien een plan bedenken en
voor de rechtvaardigen omdat het volk hen misschien als leiders wil. Maar als
zij vanwege hun angst dat soort mensen uit de weg ruimen, wie houden ze dan
over? Criminelen, lapzwansen en makke schapen! Criminelen krijgen dan hun
vertrouwen, omdat zij evenals de dictators zelf vrezen dat de stad ooit haar
vrijheid verovert en hen overmeestert; lapzwansen omdat zij zich voor het
moment kunnen uitleven, en makke schapen omdat die zelf niet eens vrij willen
zijn. Het lijkt mij een heel vervelende ervaring: wel beseffen dat er goede
mensen bestaan, maar gedwongen zijn je te bedienen van anderen. ‘Verder moet een dictator ook van zijn stad houden. Zonder die stad zou
hij zich niet kunnen redden en geen geluk kennen. Maar zijn dictatuur dwingt
hem tot scherpe kritiek op zijn vaderstad. Hij rust namelijk niet graag eigen
burgers uit tot een sterke, goed gewapende troep, maar gebruikt liever
vreemdelingen, die hij gevaarlijker maakt dan eigen burgers en als lijfwacht
inzet. ‘En zelfs als er door goede seizoenen een overvloed aan goederen komt, kan
de dictator niet even blij zijn als alle anderen. Want hoe behoeftiger ze
zijn, denkt hij, des te gedweeër zijn ze tegenover hem. (6) Ik wil jou
ook nog wijzen, Simonides, op alle aangenaams wat ik beleefde als gewoon
burger maar ben kwijt geraakt, merk ik, sinds ik dictator ben. Zo ging ik om
met leeftijdgenoten, tot wederzijds plezier, en had ik ook tijd voor mezelf
als ik behoefte had aan rust. Ik nam deel aan gezamenlijke drinkpartijen, waar
ik vaak alle problemen van het menselijk bestaan vergat en opging in liederen,
feestvreugde en dansen, tot het punt dat ik met heel de rest alleen nog naar
slaap verlangde. ‘Maar zulk plezierig gezelschap ben ik nu kwijt. Want wie heb ik nu als
kameraden? Slaven! Plezierige contacten met anderen ben ik kwijt, want ik zie
dat men mij absoluut niet welgezind is. Dronkenschap en slaap, daar pas ik
evenzeer voor op als voor een hinderlaag. Angst voor de massa, angst voor
eenzaamheid, angst voor gebrek aan bewaking en angst voor bewakers, niet graag
omringd zijn door mensen zonder wapens maar ook niet graag zien dat ze
gewapend zijn - dat is toch een verschrikkelijk lot? Meer vertrouwen op
vreemdelingen dan op eigen burgers, meer op buitenlanders dan op Grieken,
vrijen als slaven willen houden en gedwongen zijn om slaven tot vrijen te
maken... Wat denk je? Dat wijst
toch allemaal op een ziel die totaal geobsedeerd is? Angst is niet alleen
hinderlijk door zijn aanwezigheid in de ziel, maar zit ons ook op de hielen en
bederft op die manier alle plezier. ‘Misschien heb ook jij ervaring met oorlog, Simonides, en stond je al eens
opgesteld vlakbij vijandelijke linies. Denk eens terug aan het soort voedsel
dat je in die tijd moest eten, aan het soort slaap dat je kreeg. Zo vervelend
als dat toen voor jou was, zo vergaat het een dictator nu, en nog wel erger.
Want een dictator meent de vijand niet alleen tegenover zich te zien, maar
overal om zich heen.’ ‘Toen Simonides dit alles had gehoord, nam hij het woord. ‘Daar zegt u
een paar heel goede dingen!’ zei hij. ‘Oorlog is inderdaad iets
vreselijks. Maar toch, beste Hiëro, als wij op expeditie zijn, zetten we
wachtposten uit en gaan we op ons gemak eten of slapen.’ ‘Ja inderdaad, Simonides,’ zei Hiëro. ‘Want die wachters worden weer
bewaakt door de wetten en ze zijn dus bang voor hun eigen hachje terwijl ze
jullie angst wegnemen. Maar dictators huren wachters in als waren het
seizoensarbeiders. Wachters moeten vooral één eigenschap hebben:
betrouwbaarheid. Maar één trouw man is moeilijker te vinden dan honderd
werkkrachten voor wat dan ook. Dit geldt vooral wanneer wachters het doen voor
het geld en zij in korte tijd veel meer geld kunnen krijgen door de dictator
te doden dan dat zij van hem zouden ontvangen voor lange jaren dienst. ‘Nu iets over de reden waarom je ons benijdde, ons vermogen om voor
vrienden veel goed te doen en vijanden meer dan wie ook te verpletteren. Ook
hier liggen de zaken niet zoals jij denkt. Hoe kun je ooit het gevoel krijgen
vrienden goed te doen, wanneer je precies weet dat wie het meeste van je
krijgt het liefst zo snel mogelijk uit je blikveld verdwijnt? Iedereen
beschouwt wat hij van een dictator krijgt pas als zijn eigendom als hij buiten
diens macht is gekomen. En hoe kun je zeggen dat vooral een dictator de macht
heeft om vijanden te verpletteren, wanneer hij wel weet dat alle onderdanen
zijn vijanden zijn? Die kan hij toch moeilijk allemaal ter dood brengen of in
de boeien slaan. Want over wie heeft hij dan nog macht? Nee, in het volle
besef dat zij zijn vijanden zijn, moet hij voor hen oppassen en is hij
tegelijk gedwongen zich van hen te bedienen. ‘Besef ook het volgende goed, Simonides. Als hij bepaalde burgers vreest,
heeft hij er moeite mee hen in leven te zien, maar ook om hen te doden. Het is
alsof je een paard bezit dat weliswaar goed is, maar waarvan je ook bang bent
dat het een keer iets fataals doet. Dan heb je er moeite mee om het te doden,
vanwege zijn kwaliteiten, maar ook om het te laten leven en te berijden, uit
angst dat het op een gevaarlijk moment iets fataals doet. Hetzelfde geldt voor
ook voor andere bezittingen met grote voor- en nadelen: het is lastig ze te
bezitten en lastig om ze kwijt te raken.’ (7) Hierop zei
Simonides: ‘Het lijkt, beste Hiëro, of veel in het leven draait om
"eer". In hun streven daarnaar getroosten mensen zich alle
inspanningen en verduren zij alle gevaren. Dat geldt kennelijk ook voor
dictators. Terwijl het dictator zijn al die problemen inhoudt die u noemt,
vliegen mensen zoals u daar in alle haast op af om eerbewijzen te krijgen. Ze
willen dat iedereen al hun orders zonder mitsen en maren uitvoert, dat
iedereen naar hen opziet, uit zijn stoel opstaat en de weg vrijmaakt, dat
allen in hun buurt hun altijd in woord en daad luister bijzetten. Zo gedragen
onderdanen zich immers tegenover een dictator en wie ze verder ook maar in ere
houden. ‘Ja, Hiëro, juist hierin verschilt de mens volgens mij van andere wezens:
in zijn streven naar eer. Eten, drinken, slaap en seks vormen voor alle wezens
evenzeer bronnen van genoegen, lijkt het, maar eerzucht komt niet op in
redeloze dieren en evenmin in alle mensen. Mensen bij wie het verlangen naar
eer en lofprijzing opkomt verschillen het meest van kuddedieren. Dat zijn niet
zomaar mensen, vinden we, maar echte mannen! Het lijkt dus niet voor niets dat
jullie al die lasten van het dictator zijn verdragen, want jullie worden boven
alle andere mensen geëerd. Geen enkel menselijk genoegen komt misschien zo
dicht bij het goddelijke als vreugde over ereblijken.’ ‘Ach Simonides,’ zei Hiëro daarop, ‘die ereblijken voor een
dictator... Die liggen volgens mij op hetzelfde vlak als die liefdesrelaties
waar ik je al over vertelde. Als iemand je ter wille is zonder je genegenheid
te beantwoorden, is er niets aan, zagen we, terwijl afgedwongen seks niet fijn
is. Precies zo zit het met onderdanig gedrag van mensen die bang voor je zijn:
dat is geen eer. Hoe kunnen we zeggen dat mensen die gedwongen uit hun stoel
opstaan dit doen ter ere van hun onderdrukkers? Of dat als ze voor machtigen
de weg vrijmaken, dit is ter ere van hun onderdrukkers? En cadeaus geven de
meesten aan mensen die ze haten. Zo willen ze voorkomen dat ze iets kwaads van
hen lijden. Maar hier kunnen we redelijkerwijs spreken van "slaafse"
handelingen, terwijl ereblijken volgens mij voortkomen uit een houding die
daar haaks op staat. ‘Wanneer mensen iemand als hun potentiële weldoener beschouwen en iets
goeds aan hem toeschrijven, en vervolgens zijn naam op de lippen hebben en
roemen, wanneer ieder in hem zijn persoonlijke bron van goeds ziet, vrijwillig
voor hem de weg vrijmaakt en met liefde, niet uit angst voor hem, uit zijn
stoel opstaat, hem een krans verleent vanwege zijn verdiensten voor het
algemeen welzijn en zijn weldaden, en hem geschenken wil geven, ja, pas dán
vind ik het "eer bewijzen" in de ware zin des woords. Pas wanneer
men je zulke dingen waard acht, word je werkelijk geëerd. ‘Persoonlijk wil ik de man die zo geëerd wordt gelukkig prijzen. Ik zie
dat hij niet belaagd wordt, maar dat men zich zorgen maakt dat hem iets
overkomt. Zonder angst, zonder afgunst, zonder gevaren leeft hij een gelukkig
leven. Maar de dictator? Ach Simonides, hij is als iemand die door alle mensen
is gedoemd te sterven vanwege zijn slechtheid. Besef goed: zo moet hij leven,
dag en nacht.’ ‘Simonides had het allemaal aanhoord. ‘Maar hoe kan dat nu, beste Hiëro?’
vroeg hij. ‘Als dictator zijn zoiets kwalijks is en als u er zo over denkt,
waarom bevrijdt u zich dan niet van zo’n groot kwaad? Waarom ziet niemand
ooit vrijwillig af van de positie van dictator, zodra hij die eenmaal heeft
bereikt?’ ‘Dat komt, Simonides, doordat dictator zijn ook in dit opzicht iets heel
ongelukkigs is: men komt er niet meer vanaf. Want hoe zou een dictator ooit al
het geld kunnen terugbetalen dat hij mensen heeft ontnomen? Hoe zou hij zelf
ter compensatie de straffen kunnen ondergaan die hij anderen heeft opgelegd?
En dan de mensen die hij ter dood heeft gebracht: hoe zou hij daar ooit
voldoende levens van zichzelf tegenover kunnen zetten? Ach, Simonides, als
iemand er wat aan heeft zich te verhangen, dan is het wel een dictator. Juist
hij heeft er wat aan, luidt mijn conclusie, want alleen hij heeft er niets aan
om zijn narigheid te behouden, noch om er afstand van te doen.’ (8) Simonides
nam het woord. ‘Beste Hiëro,’ zei hij, ‘dat u voor het moment maar
weinig ziet in de positie van dictator, verbaast mij niets. U wilt graag dat
de mensen om u geven en u meent dat het dictator zijn daarbij een obstakel is.
Maar nu denk ik u te kunnen laten zien dat heersen geen enkel obstakel is voor
genegenheid, en dat de heerser op dit punt zelfs beter af is dan de gewone
burger. Als we onderzoeken of dit zo is, kunnen we beter even voorbijgaan aan
de vraag of een heerser door zijn grotere macht ook meer gunsten kan verlenen.
Nee, stel dat een gewoon burger en een dictator hetzelfde doen. Bekijk dan
eens wie van beiden met diezelfde daden grotere dank oogst. ‘Ik begin met heel onbeduidende voorbeelden. Laten we zeggen dat de
heerser en de burger iemand zien en hem vriendelijk aanspreken. Wiens
aanspreking zal de man in kwestie meer plezier doen, denkt u? Of stel dat ze
hem beiden prijzen. Wiens lofprijzing zal de man dan plezieriger treffen? Of
beiden brengen een offer en geven hem de ere-portie. Wiens ere-portie zal
grotere dank oogsten, denkt u? Of ze besteden evenveel aandacht aan een zieke.
Is het niet evident dat de aandacht van de machtigste ook de meeste dank zal
oogsten? Of stel, ze geven een even groot cadeau. Is het niet ook hier
evident, dat de helft van de gunsten van de machtigste meer uithaalt dan het
hele geschenk van de gewone burger? ‘Naar mijn idee krijgt een heerser ook meer eer en gunsten van de kant van
de goden. Niet alleen krijgt een mens door te heersen meer uitstraling, maar
we zien dezelfde man ook liever in de positie van heerser dan als gewoon
burger. Conversatie met mensen van hogere rang stemt ons trotser dan een
gesprek met gelijken. En wat leuke jongens betreft (een thema dat u bracht tot
scherpe kritiek op de positie van dictator): die vinden het helemaal niet erg
als een heerser oud is, en als hun beschermer eventueel lelijk is, letten ze
daar helemaal niet op. Een eervolle positie draagt veel bij aan iemands
luister, zodat zijn onaangename kanten uit het zicht raken en zijn mooie
kanten nog stralender uitkomen. ‘Voor precies dezelfde diensten oogsten jullie, heersers, dus al grotere
dank. Maar jullie kunnen natuurlijk veel meer bereiken en voor anderen doen:
jullie hebben veel meer weg te geven. Dan zou het toch logisch zijn dat jullie
ook meer genegenheid krijgen dan gewone burgers?’ ‘Maar dat is niet zo,’ onderbrak Hiëro hem. ‘Wij laten ons
onvermijdelijk veel vaker in met praktijken waar mensen zich gehaat mee maken.
Er moet geld gevorderd worden, willen wij kunnen besteden wat nodig is. Wij
moeten mensen dwingen om te bewaken wat bewaking vergt, wij moeten criminelen
straffen en beteugelen wie zijn boekje te buiten wil gaan. En als zich eens
een gelegenheid aandient waarbij met spoed ter land of ter zee moet worden
opgetreden, kunnen we geen laks gedrag tolereren. Verder heeft een dictator
huurlingen nodig, en dat is het meest bezwaarlijke voor burgers wat er is. Zij
denken namelijk dat de dictator die er niet op nahoudt om gelijke rechten te
garanderen, maar enkel uit eigenbelang.’ (9) ‘Al die
dingen vragen om maatregelen,’ hernam Simonides, ‘dat ontken ik niet. Maar
volgens mij zijn er twee soorten maatregelen: je hebt er die tot grote
impopulariteit leiden, maar ook die grote dankbaarheid opleveren. Instructie
geven in wat het beste is, en lof en roem brengen aan wie dat prima ten
uitvoer brengt, is een maatregel die dankbaar wordt ontvangen. Maar iemand die
ergens in tekort schiet uitkafferen en onder druk zetten en beboeten en
straffen, daar maak je je natuurlijk eerder impopulair mee. Mijn stelling is
als volgt. Een heerser moet het straffen van mensen die tot de orde moeten
worden geroepen aan anderen overlaten, maar het uitreiken van prijzen voor
zichzelf behouden. ‘Dit werkt uitstekend, zo leert de praktijk. Wanneer wij een koorwedstrijd
willen houden, looft de heerser de prijzen uit, terwijl koorleiders de rest
moeten doen: bijeenbrengen van de zangers, instructie geven en dwang
uitoefenen als mensen ergens in tekort schieten. Dit is dus een eerste
voorbeeld van hoe de heerser de aangename taak krijgt en anderen de
onaangename taken. Maar wat let u om ook in andere bestuurszaken zo te werk te
gaan? Alle steden zijn ingedeeld in phylai of morai of lochoi,[ii]
en over ieder deel zijn bestuurders aangesteld. Als men hier nu zo doet als
bij de koren en prijzen uitlooft voor goede bewapening en discipline, voor
goed paardrijden, dapperheid in de oorlog en eerlijkheid in het zakelijk
verkeer, dan ontstaat op al deze gebieden vanzelf competitie en gaat men zich
er serieus op toeleggen. ‘En het gaat nog wel verder. Mensen die eer najagen zullen sneller
optrekken naar de plek waar ze heen moeten en sneller hun bijdrage betalen als
het daar de tijd voor is. En de nuttigste bezigheid, waar competitie
gewoonlijk maar een kleine rol in speelt, de landbouw, zal grote vooruitgang
boeken zodra men per akker of per dorp prijzen uitlooft voor de beste
bewerkers van het land. Burgers die zich met kracht hierop richten zullen veel
goeds teweeg brengen. Want de inkomsten nemen toe en bovendien gaat hard
werken heel vaak samen met een goede moraal. Wie actief is komt immers minder
tot wangedrag. ‘En wanneer de stad van de handel profiteert en de grootste zakenman in
ere staat, zal dit heel wat handelaren aantrekken. Als duidelijk wordt dat het
aanboren van een inkomstenbron voor de stad waar de mensen geen nadeel van
hebben een eervolle zaak is, zal men geen mogelijkheden laten liggen. Kort
samengevat: als mensen met goede nieuwe ideeën, op alle gebieden,
onmiskenbaar geëerd worden, heeft dit een stimulerend effect. Velen gaan zich
er dan op toeleggen iets nieuws te bedenken. En wanneer velen zich met nuttige
zaken bezighouden, leidt dit vanzelf tot uitvindingen en goede resultaten. ‘Misschien bent u bang, beste Hiëro, dat het uitloven van allerlei
prijzen u op hoge kosten komt te staan. Maar bedenkt u dan dat er geen
goedkopere handelswaar is dan wat mensen kopen in ruil voor een prijs. Ziet u
niet hoe bij paardenraces, sportcompetities en koorwedstrijden kleine prijzen[iii]
de mensen brengen tot grote uitgaven, veel inspanningen en training?’ (10) ‘Dat is
allemaal goed en wel, Simonides,’ zei Hiëro, ‘maar hoe zit het dan met
huurlingen? Heb jij een idee hoe men die er op na kan houden zonder impopulair
te worden? Of beweer jij misschien dat een heerser, als hij eenmaal populair
is, helemaal geen lijfwachten meer nodig heeft?’ ‘O nee,’ zei Simonides, ‘zeker heeft hij die nodig. Ik weet dat het
bij bepaalde mensen is als met paarden: hoe overvloediger ze krijgen wat ze
nodig hebben, des te minder handelbaar ze zijn. Dat soort lieden blijft beter
in het gareel door vrees voor lijfwachten. Maar voor het betere soort mensen
ligt de zaak anders. Volgens mij kunt u die nergens zoveel voordeel mee
bezorgen als met huurlingen! ‘Het is natuurlijk zo dat u huurlingen onderhoudt uit eigen belang, als
bewakers. Maar meesters sterven vaak door geweld van hun slaven. Huurlingen
zouden daarom als eerste taak moeten hebben lijfwacht van álle burgers te
zijn en iedereen te helpen als ze van aanslagen lucht krijgen. In steden komen
altijd kwaadwilligen voor, dat weten we allemaal. Als de huurlingen dus tot
taak hebben de burgers te beschermen, zouden die beseffen dat ze iets aan hen
kunnen hebben. Bovendien zouden huurlingen natuurlijk ook aan landarbeiders en
dieren een gevoel van zekerheid en veiligheid kunnen geven, zowel op uw eigen
land als in heel de streek. En zij zijn in staat de burgers vrije tijd te
bezorgen voor persoonlijke zaken doordat zij strategische plekken bewaken. ‘En verder, wie kan heimelijke, onverhoedse aanvallen van de vijand beter
zien aankomen of verhinderen dan mannen die altijd bewapend zijn en dat ook
tot taak hebben? Ook op campagne is niets zo nuttig voor burgers als
huurlingen. Want die staan natuurlijk meteen paraat om in hun plaats
inspanningen en gevaren te trotseren en wacht te lopen. En doordat er steeds
mensen onder de wapenen zijn, zullen ook naburige steden juist vrede willen,
dat moet toch haast wel? Mannen met de taak de belangen van vrienden te
beschermen en die van vijanden te schaden kunnen hiervoor zorgen. ‘Welnu, wanneer de burgers inzien dat de huurlingen onschuldigen geen
kwaad doen en potentiële boosdoeners in het gareel houden, dat ze
slachtoffers ondersteunen, zorg dragen voor de burgers en gevaar voor hen
trotseren, zullen zij ook graag bijdragen voor hen betalen. Dat moet toch wel?
Thuis hebben ze bewaking voor zaken van minder belang! (11) U moet
ook niet aarzelen, beste Hiëro, om uit eigen middelen kosten te maken
terwille van het algemeen belang. Want wat een dictator uitgeeft aan zijn stad
is beter besteed, denk ik, dan wat hij uitgeeft voor zichzelf. Laten we alles
in detail bekijken. ‘Wat draagt meer bij aan uw luister? Een voor exorbitante bedragen
verfraaid paleis, of een stad voorzien van muren, tempels, zuilengangen,
marktpleinen en havens? Wat maakt u geduchter voor de vijand? Als u zelf in
een indrukwekkende bewapening verschijnt? Of als uw hele stad goed bewapend
is? En hoe genereert u grotere inkomsten? Door uw eigen kapitaal te activeren,
of door een manier te bedenken om het kapitaal van alle burgers te activeren? ‘En dan het fokken van renpaarden, veelal beschouwd als de mooiste en
verhevenste bezigheid die er is. Wanneer verleent dat u meer luister? Als u er
zelf de meeste renpaarden van alle Grieken op na houdt en afvaardigt naar de
Spelen, of als er uit uw stad de meeste fokkers en de meeste deelnemers komen?
Welke zege is mooier, denkt u? Een zege door de kwaliteiten van uw team of
door de welvaart van de stad waar u het bewind voert? ‘Persoonlijk vind ik dat het een dictator niet eens past met gewone
burgers de strijd aan te gaan. Want bij een zege wordt u niet bewonderd maar
benijd, omdat u het geld van vele huishoudens te besteden heeft, terwijl u bij
verlies het meest van allemaal wordt uitgelachen. Nee, Hiëro, ik zeg u: uw
strijd is er een tegen bewindvoerders van andere steden. Als de stad waarover
u het bewind voert welvarender blijkt, dán, besef het goed, behaalt u de zege
in de fraaiste en meest verheven wedstrijd die er is. ‘Daarmee wint u ook de genegenheid van uw onderdanen, iets waar u zo naar
verlangt. In de tweede plaats is er in dat geval niet een enkele stem die uw
zege rondbazuint, maar zullen alle mensen uw kwaliteiten bezingen. Allen zien
u naar de ogen en u wordt bewonderd door gewone burgers en door tal van
steden. U zult groot respect oogsten, niet alleen thuis, maar ook publiekelijk
bij allen. En wat uw persoonlijke veiligheid betreft: u kunt gaan en staan
waar u wilt om dingen te bekijken, en u kunt er ook voor thuis blijven. Want
bij u is het altijd feest, met mensen die iets bijzonders, iets moois, iets
goeds willen laten zien, of die u graag willen dienen. Elke aanwezige is een
bondgenoot, elke afwezige wil u graag zien. ‘Op die manier wordt u niet alleen populair bij de mensen, maar zelfs hun
grote favoriet. U hoeft niet te dingen naar de gunsten van mooie jongens, maar
u mag verdragen dat zij dingen naar die van u. Angst dat u iets overkomt hebt
u niet zelf maar bezorgt u anderen. Uw mensen gehoorzamen u bereidwillig en u
zult merken dat ze uit eigen beweging voor u zorgen. En dreigt er gevaar, dan
zult u zien dat zij uw bondgenoten zijn, uw voorvechters, uw partizanen! U
wordt vele geschenken waardig geacht en u zit zelf niet verlegen om
goedgezinden die u ergens in kunt laten delen. Iedereen verheugt zich met u
over uw geluk, iedereen vecht voor uw belangen alsof het eigen belangen zijn.
Uw schatten, dat zijn de rijkdommen bij al uw vrienden. ‘Goede moed dus, Hiëro! Maak uw vrienden rijk, dan maakt u uzelf rijk!
Laat de stad groeien en bloeien, dan vermeerdert u uw eigen macht. Zorg dat u
bondgenoten voor de stad maakt, beschouw uw vaderstad als uw huis, de burgers
als uw vrienden, uw vrienden als uw eigen kinderen, uw kinderen als uw ziel en
zaligheid, en probeer iedereen in weldaden te overtreffen. Want als u uw
vrienden in weldaden overtreft, kunnen uw vijanden geen stand tegen u houden. ‘En als u dit allemaal doet, weet dan dat het mooiste en allerheerlijkste
bezit ter wereld het uwe zal worden: geluk zonder afgunst.’
===========================
De belangrijkste werken van Xenofon zijn in moderne Nederlandse vertalingen
beschikbaar. Van recente datum zijn: Xenofon,
Symposium / Sokrates’ verdediging, vertaald door Michiel Op de Coul,
Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2000; Xenophon,
Kyros de Grote, de vorming van een vorst, vertaald, ingeleid en van
aantekeningen voorzien door John Nagelkerken, Voltaire, ‘s-Hertogenbosch 1999; Xenophon,
Herinneringen aan Socrates, vertaald, ingeleid en van aantekeningen
voorzien door Cornelis Verhoeven, Voltaire, ‘s-Hertogenbosch 2000; Xenofon,
De Spartaanse maatschappij; Plutarchus, Lycurgus, vertaald door
Gerard Janssen, Chaironeia, Leeuwarden 2000. De Hiëro werd niet eerder volledig in het Nederlands vertaald; (Ch.
van Deventer besprak het werkje in zijn Helleensche studiën, S.L. van
Looy, Amsterdam 1897, 154-159, met een vertaling van de openingszinnen en een
parafrase van het geheel). ‘De Nederlandse vertaling is gebaseerd op de volgende uitgaven: Xenophon,
Scripta minora, [translated by] E.C. Marchant, Loeb Classical Library, nr
183, London/Cambridge Mass. 1962 (4e dr.), 1-57; Xenophon,
Opera omnia, tomus V: opuscula, [edited by] E.C. Marchant, Clarendon
Press, Oxford 1969 (5e dr.). Verder heb ik gebruik gemaakt van: The
Hieron of Xenophon, with
introduction, notes, and critical appendix by H.A. Holden, Macmillan and Co,
London 1883. Enkele van de weinige recente artikelen over de tekst zijn: V.J.
Gray, ‘Xenophon’s Hiero and the meeting of the wise man and tyrant in
Greek literature’, in: Classical Quarterly 36, 1986, 115-23; A.
Gelenczey-Mihálcz, ‘Thoughts on tyranny. Xenophon’s Hiero’, in: Acta
Antiqua Academiae Scientiae Hungaricae 40, 2000, 113-121. Een van de vertaalproblemen in de Hiëro is de weergave van het
Griekse turannos. Het Nederlandse ‘tiran’ (dat er wel van is
afgeleid) is hier minder goed bruikbaar vanwege zijn speciale, meer huiselijke
associaties. ‘Alleenheerser’ is vaak een goede weergave, maar lijkt voor
deze tekst niet scherp genoeg. Ik heb gekozen voor ‘dictator’, omdat dit ook
voor ons een vooral politiek begrip is, dat bovendien een aantal relevante
associaties oproept. ‘Mijn dank gaat uit naar André Lardinois, Marco Balvers en Eric Moormann,
die de vertaling en het bijbehorende essay hebben meegelezen. [i].
Bedoeld zijn grote religieuze feesten met wedstrijden, zoals de Olympische
Spelen. [ii].
Attica was verdeeld in (tien) phylai, Sparta in (zes) morai,
andere steden, zoals Thebe in lochoi. [iii].
Bij klassiek-Griekse vormen van competitie waren de materiële prijzen voor
winnaars beperkt. Zo kregen winnaars op de Spelen een olijfkrans.
naar pagina over Xenofon-vertaling latest changes here:
26-01-2011 12:03 |
|
|