Geschiedenis
van Marokko in vogelvlucht
I Voor de komst van de Islam
De Berbers
Over de vroegste geschiedenis van Marokko is weinig bekend. Zeker is dat Noord-Afrika invloeden en immigratie heeft gekend vanuit het Iberisch schiereiland en het Midden-Oosten. Rond 1000 v. Chr. kwam een beschaving tot stand die men aanduidt als Lybico-Berber. De bewoners van dat moment zijn de rechtstreekse voorouders van de huidige Berbers. Waar zij precies vandaan komen is niet duidelijk, maar speculaties daarover zijn talrijk. Tegenwoordig noemt men de oorspronkelijke bevolking van Noord-Afrika Berbers. Zelf noemen zij zich echter amazigh (vrij mensen). Volgens de meest gangbare theorie is de term Berber afgeleid van het Griekse woord barbaros, volgens anderen is het woord afgeleid van de Arabisch stam ba-ra-ba-ra (stotteren, stamelen).
De Feniciërs
In het laatste millennium voor Chr. kwam Noord-Afrika door de ontwikkeling van de scheepvaart en het uitdrogen van de Sahara steeds meer in aanraking met andere landen rond de Middellandse Zee. Vanaf 700 v. Chr. drongen de eerste handelsexpedities vanuit Carthago door tot de kusten van Marokko. Het waren de Feniciërs die als eerste informatie over de streek op schrift stellen. Carthago oefende via een serie handelsposten de komende eeuwen de hegemonie uit over de Marokkaanse kustgebieden. Echter, de Romeinen wisten na een lange strijd met Carthago deze hegemonie in het Middellandse Zeegebied te doorbreken.
De Romeinen
In 146 v. Chr. werd Carthago door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt. In het huidige West-Algerije en Noord-Marokko ontstond toen een bloeiend koninkrijk, Mauritanië. Rome nam aanvankelijk genoegen met het beschermheerschap over dit gebied, maar uiteindelijk werd de regio toch opgedeeld in twee Romeinse provincies. Noord-Marokko was niet echt een volwaardige provincie, omdat de Romeinse aanwezigheid daar vooral bedoeld was om de rijke Spaanse provincie te beschermen tegen invallen vanuit Noord-Afrika. De Romeinen pasten een indirect bestuur vanuit de steden toe, waar ook de belangrijkste figuren uit de lokale bevolking zich hadden gevestigd. Vijf eeuwen Romeinse overheersing hebben weinig overblijfselen of sporen achter gelaten in Marokko, het platteland was grotendeels onaangetast gebleven.
II De dynastieën van Marokko
De Berber dynastieën (700- 1440)
Met de komst van de islam brak voor Marokko een nieuwe fase in de geschiedenis aan. Opvallend is dat Marokko maar kort deel uit heeft gemaakt van het grote Islamitische Rijk dat eerst vanuit Damascus en later vanuit Bagdad werd bestuurd. In de 9de eeuw vestigde een nazaat van de Oemajjaden een dynastie in Marokko, wat het begin betekende van Marokko als onafhankelijke staat. Onder de drie Berber dynastieën (de Almoravieden, de Almohaden en de Marinieden) kwam Marokko tot grote bloei. Opvallend is dat alle drie de dynastieën hun oorsprong vinden in de periferie van het Rijk; de Almovarieden ver in de Sahara, de Almohaden in de bergen van de Hoge Atlas en de Marinieden in de oostelijke steppen langs de grens met Algerije. De islamisering van Marokko verliep zeer vlot door de verwantschap van de stammencultuur en de maatschappelijke voordelen van bekering.
De Idrissieden (786-920)
De eerste islamitische kalifaten werden gekenmerkt door een voortdurende strijd om de macht en twisten tussen rivaliserende families. In 786 ontsnapte Idris aan de massamoord door de Abbasieden op zijn familie en vluchtte naar Marokko. Hoewel hij in 791 alsnog door de Abbasieden-kalief in Bagdad vergiftigd werd, wist zijn zoon Idris II de eerste onafhankelijke dynastie te vestigen. Hij wist de verschillende Berberstammen te verenigen en verlegde de grenzen ver naar het zuiden. Fès werd de hoofdstad van het nieuwe Marokko. Na zijn dood viel het rijk uiteen in kleine vorstendommen. Ondanks hun korte heerschappij worden de Idrissieden beschouwd als de grondleggers van het onafhankelijke Marokko en tevens de ware verspreiders van de Islam daar. Hun prestige als afstammeling van Mohammed en als stichters van belangrijke steden en religieuze centra hebben hier veel aan toe bijgedragen. Het graf van Idris I in Moulay Idriss is nog steeds een van de belangrijkste heilige plaatsen in Marokko.
De Almoravieden (± 1040-1140)
Vanaf het jaar 1000 had het centrale bestuur in Bagdad zijn greep op Marokko definitief verloren. Een nomadenstam uit de westelijke Sahara slaagde erin zijn macht in snel tempo uit te breiden. In 1060 stichtten zij Marrakech als de nieuwe hoofdstad van het Almoravidische rijk, dat zich op zijn hoogtepunt uitspreidde van Noord-Spanje tot aan de Sahara. Voor het eerst in de geschiedenis van de islam waren de heersers van een groot islamitisch rijk niet van Arabische oorsprong. De Berbers hadden duidelijk gemaakt dat zij de vitale kracht waren in deze regio. Marrakech was hun hoofdstad. De nieuwe hoofdstad zou vanaf nu de rivaal zijn van Fès, dat altijd een meer Arabisch karakter heeft behouden. Het grote gebied bleek echter moeilijk bij elkaar te houden en toen ook de decadentie aan het hof steeds duidelijker werd, stond een nieuwe beweging op om de fakkel over te nemen.
De Almohaden
De Almohaden richtten zich bij de uitbreiding van hun rijk niet zozeer op Andalusië, maar meer op de gebieden ten oosten van Marokko. Nadat zij heel Marokko onder controle hadden gebracht en ze na de inname van Marrakech de zoon van laatste sultan van de Almoravieden hadden vermoord, verjoegen zij de Normandiërs uit Iffriqiya (het huidige Tunesië). Voor het eerst sinds de Romeinen was heel Noord-Afrika weer verenigd onder één bestuur. Echter, de Almohaden bestuurden de veroverde gebiedsdelen niet als volwaardige provincies, maar als wingebieden en al vrij snel begon het te rommelen. Na de dood van Jaqoed al-Mansoer in 1199 brokkelde het gezag van de sultan in Marrakech snel af. Tunis verklaart zich onafhankelijk en in Spanje stichtten allerlei lokale potentaten eigen rijkjes.
De Marinieden
De Beni Marien waren Berber nomaden in Oost-Marokko, die aanvankelijk het gezag van de Hafsieden-vorsten in Tunis erkenden. Geleidelijk gingen zij echter ook stedelijke centra in het gebied besturen en in 1269 slaagden zij erin om Marrakech te veroveren. De dynastie van de Marinieden werd echter gekenmerkt door interne twisten en halfslachtig bestuur. Ze zijn ook nooit zo machtig geworden als hun voorgangers. Hun prestige was niet gebaseerd op religieuze inspiratie, zoals bij de Almoravieden en de Almohaden. Zij konden zich geen afstammelingen van de profeet noemen en hadden ook geen achterban van trouwe aanhangers die uit overtuiging hun tegenstanders bestreden. Ze moesten loyaliteit kopen en voortdurend gelegenheidsallianties sluiten. Onder de Marinieden heeft Marokko definitief haar aanspraken op de oostelijke delen van de Maghreb en Spanje opgegeven. De grenzen in het noorden en oosten lagen sindsdien vast.
III Van buitenaf en van binnenuit belaagd
(1400-1650)
Marokko speelde gedurende de Middeleeuwen een belangrijke rol op het Iberische schiereiland. Grote delen van Andalusië maakten lange tijd deel uit van het Marokkaanse rijk. Daarnaast vervulde Marokko een spilfunctie in het handelsverkeer tussen zwart Afrika en Europa. Na 1400 deden zich enkele belangrijke veranderingen voor.
In 1492 viel Granada. Portugal en Spanje drongen Marokko in het defensief. De meeste havens langs de Atlantische en Middellandse Zeekust werden bezet. Langs de oostgrens nestelde zich het Ottomaanse Rijk definitief als buur. Het zwaartepunt van de handel verplaatste zich van de Middellandse Zee naar de Atlantische Oceaan en het belang van de Saharahandel liep terug, omdat de Portugezen een groot deel van het koopwaar rechtstreeks uit west-Afrika haalden. Marokko valt uiteen in verschillende rijken, maar de sultan in Marrakech blijft voor de Europeanen de belangrijkste gezaghebber. Als de sultans niet genoeg weerstand boden aan de Europese invloed vulden religieuze broederschappen (zawia's) en kapers het machtsvacuüm op.
IV Marokko onder de Alawieten (1660-1820)
Vanaf 1650 wist een nieuwe dynastie uit Zuid-Marokko het land onder een centraal gezag te brengen en de meeste kustplaatsen op de Europeanen te heroveren. De dynastie der Alawieten heeft haar gezag tot op de dag van vandaag weten te behouden. Natuurlijk deden zich nog wel opvolgingstwisten voor, maar deze bleven binnen de familie.
Moulay Ismail (1672-1727) wordt in Marokko gezien als de grootste sultan die de Europese bezetters grotendeels wist te verdrijven en de rust in het land herstelde. De basis van zijn gezag was een goed georganiseerd leger, bestaande uit zwarte slaven die hem onvoorwaardelijk steunden. Daarnaast wist hij de nog steeds invloedrijke zawia's aan zich te binden en trok hij de controle over de kaapvaart naar zich toe, voordat deze uiteindelijk door hem ontmanteld werden. Onder de heerschappij van Moulay Ismail floreerde de buitenlandse handel. Na de dood van Moulay Ismail brak een periode aan van anarchie, waarna uiteindelijk zijn kleinzoon Sidi Mohammed de macht wist te grijpen. Hij richtte zijn aandacht vooral op de buitenlandse politiek en heerste zeker niet absoluut. Waar hij wel gezag had, werd het bestuursapparaat hervormd. Na de dood van Sidi Mohammed bleef het land tot 1798 verdeeld. In dat jaar slaagde Moulay Slimaan erin om de situatie onder controle te krijgen. Echter, Marokko had toen een gebrek aan kapitaal (de kaapvaart was namelijk afgeschaft en nagenoeg in Europese handen terechtgekomen), de binnenlandse politieke situatie is te instabiel en de overheid is te achterdochtig jegens haar onderdanen, die te zelfstandige commerciële relaties met Europa onderhouden. Deze factoren leidden de crisis van de 19de eeuw in.
V Marokko in de 19de eeuw
Toen in Europa in de loop van de 19de eeuw de industriële revolutie op gang komt en Europese kooplieden wereldwijd op zoek gaan naar nieuwe afzetmarkten en grondstoffen, werd Marokko langzaam maar zeker het slachtoffer van de Europese expansiedrift: na economische en commerciële penetratie door de Europese mogendheden en het opbouwen van een torenhoge schuldenlast werd het land onder curatele gesteld en verliest het tenslotte zijn onafhankelijkheid.
De opdeling van het Afrikaanse continent begon eigenlijk met de verovering van Algerije door Frankrijk in 1830. Toen een Algerijnse emir de sultan verzocht deel te nemen aan de heilige oorlog tegen de Fransen, kon deze niet weigeren. Het Marokkaanse leger leed echter een pijnlijke nederlaag en de militaire zwakte van Marokko kwam in 1844 dan ook duidelijk aan het licht.
De Europese machthebbers hollen in de daaropvolgende decennia de Marokkaanse soevereiniteit volledig uit door het afdwingen van allerlei handelsvoorrechten, onder andere in de vorm van het protégésysteem, waarbij handelaren werden vrijgesteld van Marokkaanse belastingen en onder juridische protectie van een buitenlandse consul werden gesteld. Wederom werd het gezag van de sultan ingeperkt. De internationale conferentie van Madrid in 1880 betekende het definitieve einde van de Marokkaanse onafhankelijkheid: Europeanen kregen nu ook het recht om land te bezitten.
Marokko was na de opening van het Suezkanaal in 1872 een strategische positie ingaan nemen, doordat de straat van Gibraltar één van de belangrijkste passages van de wereldscheepvaart was geworden. Zowel Engeland als Frankrijk en Spanje trachten hun invloed daar uit te breiden. Het was echter de opkomst van Duitsland, die Engeland en Frankrijk nader tot elkaar bracht. Met de Entente Cordiale erkenden beide landen elkaars aanspraken op Egypte en Marokko. In 1912 werd Marokko verdeeld in een Spaans en een Frans protectoraat.
VI Het protectoraat (1912-1956)
Marokko werd geen kolonie, maar een protectoraat. Dit kwam er op neer dat de Marokkaanse soevereiniteit in naam werd gerespecteerd, evenals de positie van de sultan, en dat Frankrijk en Spanje als beschermheren optraden die het land zouden begeleiden bij het moderniseringsproces.
De weerstand was vanaf het begin groot, het duurde ruim dertig jaar alvorens Marokko daadwerkelijk gepacificeerd was. Het Franse bestuur was direct en werd gekenmerkt door een verdeel- en heerspolitiek. Eén van de doelstellingen van de Franse politiek was de arabisering een halt toe te roepen en de berbergevoelens te stimuleren.
Hoewel de Franse redelijk succesvol waren bij hun pacificatiepolitiek, werden de Spanjaarden geconfronteerd met heftig en goed georganiseerd verzet tijdens de Rifoorlog (1921-1926). Abdelkrim al-Khattabi wist de Riffijnen te verenigen en een gigantische Spaanse overmacht totaal te vernietigen. In 1923 riep hij zelfs de Rifrepubliek uit, maar toen ook stammen in de Franse zone zich dreigde aan te sluiten, greep Frankrijk in. Het Spaanse bestuur werd in 1926 hersteld en Abdelkrim verbannen.
De Fransen hebben nooit voluit kunnen profiteren van hun protectoraat. Vanaf het begin hadden zij te kampen met felle tegenstand en toen zij in 1930 pogingen ondernamen om de Berberbevolking bij decreet te onttrekken aan het Marokkaanse rechtssysteem, volgde grootschalig verzet tegen de Franse autoriteiten. In 1934 wordt de eerste nationalistische politieke organisatie in Marokko opgericht: het Comité van Marokkaanse Actie, onder leiding van Allal al-Fassi, maar het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog zorgde ervoor dat verdere activiteiten werden opgeschort.
De sultan begon in deze periode een cruciale rol te spelen in het streven naar onafhankelijkheid. Hij verwierf veel prestige toen hij weigerde de door het Vichy-regime opgelegde rassenwetten uit te voeren. In 1944 werd de Istiqlalpartij opgericht. Deze partij nam geen genoegen meer met hervormingen, maar eiste volledige onafhankelijkheid. Overleg met de Franse regering leverde niets op, maar vanaf 1951 stond Marokko jaarlijks op de agenda van de Verenigde Naties. De spanningen liepen inmiddels hoog op. In 1953 werd de sultan zelfs gevangen genomen en door de Franse verbannen. Dit pikte het Marokkaanse volk echter niet. Er brak een volksopstand uit en de nationalisten namen hun toevlucht tot aanslagen. Buiten Marokko groeide vanaf dat moment de steun voor de nationalisten en het verzet van tegen het Franse optreden. In 1955 deed de Marionettensultan (die daar door de Fransen was neergezet) afstand van de troon en keerde Mohammed V terug. Op 2 maart 1956 werd uiteindelijk een akkoord bereikt over volledige onafhankelijkheid.
VII God, het vaderland en de koning
Na de onafhankelijkheid verwachtte de Istiqlalpartij dat zij een belangrijke rol zou gaan spelen in een nieuw democratisch Marokko. Dat pakte echter volledig anders uit. Zowel Mohammed V als Hassan II (zijn zoon, die zijn vader in 1961 opvolgde) toonden weinig bereidheid om de macht te delen. Mohammed V kon hierbij nog gebruik maken van zijn prestige als leider van de strijd voor onafhankelijkheid, maar onder Hassan II ontwikkelde Marokko zich tot een autoritaire staat. Achter een façade van democratie en tolerantie ging keiharde repressie schuil. In de eerste jaren na de onafhankelijkheid werd de parlementaire democratie uitgehold door manipulatie en fraude.
Om zijn verloren prestige te herwinnen, mobiliseerde de koning de bevolking rond de Saharakwestie. Een tweede middel om zijn absolute macht te rechtvaardigen, vond de koning in zijn titel: ‘Vorst der Gelovigen’ (Amir al-Moeminiem). Zijn status als afstammeling van de profeet gebruikte hij om kritiek vanuit islamitische hoek bij voorbaat de mond te snoeren. Het symbool bij uitstek van zijn religieuze leidersfunctie werd de immense Hassan II moskee in Casablanca (na de moskee van Mekka, is dit de grootste van de wereld).
Mohammed VI volgde in 1999 zijn vader op. Hij werd in het Westen wel beschouwd als een van de representanten van een nieuwe lichting jonge moderne staatshoofden die in het Midden-Oosten modernisering en democratie teweeg kunnen brengen. Of dat ook werkelijk zal gaan gebeuren, moet de toekomst uitwijzen.
Friso Harms en Sander Vergeer